zondag 7 september 2014

IJsland

IJsland

Er zijn in het leven twee soorten avonturen. Bij de eerste soort ga je iets betrekkelijk makkelijks doen dat vrijwel niemand ooit doet: denk aan een nachtje in een backpackershostel in je eigen stad, of fietsvakantie in Oekraïne. De andere soort is dat je iets betrekkelijk moeilijks gaat doen dat juist door heel veel mensen wordt gedaan: denk aan een marathon lopen of een Elfstedentocht rijden.

Nadat het fietsproject van vorig jaar dus in de eerste categorie viel, was het dit jaar weer tijd voor de tweede. En zo kwam ik in IJsland terecht. Erbarmelijk slechte steenslagwegen, talloze bergen en een ongegeneerd kloteklimaat dat wordt gekenmerkt door gure tegenwind: deze onmiskenbare nadelen hebben IJsland gemaakt tot het toevluchtsoord bij uitstek voor de vele fietsers die het helemaal gehad hebben met vlakke bewegwijzerde fietsroutes in zonnige landen vol e-bike-bejaarden.

Verhard inrijden


Een bijkomend nadeel is dat alle Icelandair-vluchten van Schiphol naar IJsland tegen middernacht aankomen in Keflavík, ergens in een uithoek op vijftig kilometer van Reykjavík. Tegen de tijd dat je door de douane bent, je bagage hebt afgehaald en de fiets in elkaar hebt gezet is het dus al twee uur ofzo. Het leek mij weinig zinvol om op dat tijdstip nog naar een hotel te gaan, te meer daar dat in IJsland waarschijnlijk belachelijk duur is. Dus als type 1-microadventure binnen het type 2-macroavontuur sprong ik 17 augustus om 2 uur 's morgens op de fiets. De bestemming was de eerste fietsenmaker in Reykjavík die mijn bij het transport verbogen derailleurhanger recht kon zetten. Eigenlijk best een fijne aanpak, de vierbaansweg van het vliegveld naar de hoofdstad is zo goed als leeg, en de stilte wordt alleen verstoord door een groep tieners in Hafnarfjörður die blijkbaar graag om vier uur 's nachts skateboarden.
In de "verkstæði" van Kria Cycles was mijn fiets zo gefixt en kon ik de rest van de dag mensen kijken in Reykjavík. Het valt daar op hoe toeristisch IJsland geworden is: het is één grote parade van vasteland-Europeanen gehuld in fleece en Gore-Tex.

De volgende dag gauw verder, de stad uit en het land in. Drie dagen infietsen langs de ringweg tot ik bij de zuidpunt linksaf ga slaan en het echte werk op 4WD-tracks in het binnenland begint. Ze hebben in Reykjavík een hoop fietspaden liggen, waarbij echter alle bewegwijzering ontbreekt, zodat je je regelmatig gefrustreerd verloren rijdt tussen de monotone suburbarchitectuur:


Even later kan ik gelukkig een kleine weg oppikken die me weg van de drukke ringweg ook naar Selfoss brengt. Onderweg zie ik bij Nesjavellir een heuse hete rivier waar je heerlijk in kunt pootjebaden. De damp slaat eraf:

Daarna gaat het met uitzichten op de ijskap van de Eyjafjallajökull (van die aswolk) en langs de Skogafoss (waar het oud-IJslands prutweer was, zie Google Images voor wel mooie foto's) richting Vík. Bij de Sólheimajökull ga ik met een stoere gids en een stel stijgijzers de gletsjer op, waar je ziet dat zo'n rommelige hoop smeltend ijs toch allerlei fantastische vormen bevat als je hem van dichterbij bekijkt:


In Vík is de laatste supermarkt voordat ik van zuid naar noord het eiland ga doorkruisen over onverharde wegen zonder winkels. Het zou wel eens acht dagen kunnen duren, dus doe ik groot inkopen:

Biscuitjes, pindakaas, chocola en spaghetti moeten me er doorheen gaan slepen. Het past allemaal nog redelijk op de fiets ook. Die ziet er aan het begin van de operatie zo uit:

Dan beginnen we dus aan het echte werk. De eerste dag is nog een soort anticlimax: stralend weer, rugwind en eerst nog een 40 km verharde ringweg over de Mýrdalssandur-vlakte:


Maar uiteindelijk komt het asfalt ten einde. Dit bord meldt dat vanaf hier alleen 4WD's verder mogen en geeft wat tips aan chauffeurs:

Over de lang niet onaardige gravelweg rij ik nog zo'n 40 km het land in:

 en sla als een praktische Hollander mijn tentje precies op bij de grens van het Vatnajökull-park waarbinnen je niet meer mag kamperen.

De heenweg: Fjallabak en Sprengisandur

De volgende dag gaat het helemaal los en krijg ik alles voor mijn kiezen wat zorgt dat je van fietsen in IJsland niet alleen moe maar ook voldaan wordt: stoere rivierdoorwadingen, zonovergoten uitzichten op elfjesgroene bergen, en het zweet afspoelen in een warme bron:



Bij de doorwadingen kun je fantastisch bermtoerist spelen. Er zijn uiteraard weinig mensen die gewend zijn hun auto moedwillig een rivier in te sturen, dus het is iedere keer weer een hoop zenuwachtig gepiel en aan het eind een hele opluchting als het is gelukt:


Aan het eind van de dag ben ik in Landmannalaugar, een gigantische berghut en camping waar zo een paar honderd mensen verblijven. Er zit zelfs een winkeltje, de Mountain Mall, openingstijden "van het smelten van de sneeuw tot het terugdrijven van de schapen". Ik betaal er omgerekend € 1,30 om mijn dieet van biscuitjes met pindakaas aan te vullen met één vers mandarijntje. Ik wil niet weten wat die zwemmers op de foto hierboven voor hun blauwe halveliterblikken hebben moeten betalen.

De volgende dag denk ik dat het een makkelijke dag zal worden aangezien het volgens de reisgids in principe mogelijk (maar dus wel tegen de regels) is om met een normale personenauto Landmannalaugar vanaf het westen te bereiken. Valt dat even tegen: na tweeëneenhalve maand toeristentsunami hebben de wasbordribbels bijna deltahoogte bereikt. Fietsen voelt alsof ik op een trilmachine zit en stapvoets wissel ik steeds tussen de linker- en rechterrand van de weg op zoek naar het vlakste spoor.

Wel word ik gemotiveerd door verse fietsensporen in het wegdek en bij het begin van de 14 kilometer verharding tussen het onverharde Fjallabaksleið Nyrðri en eveneens onverharde Sprengisandsleið haal ik de fietsers bij die deze sporen aan het trekken zijn. Het is een Duits stel op een lift-/wandel-/fietsvakantie, en ze kunnen mooi een foto schieten van een voldane Reinier die alvast twee dagen en 100 kilometer onverhard IJsland heeft doorstaan:


Na deze break van 14 kilometer asfalt is het menens. Het Sprengisandsleið, wegnummer F26, dwars door IJsland over een kaal grindplateau dat Sprengisandur heet. In de variant die ik doe (na Nýidalur afbuigend via F752 naar de Laugafell-hut en vandaar over de F821 naar Akureyri) is het dik 200 kilometer onverhard, met twee open en één gesloten berghutten onderweg. Het weer is ook zoals het hoort bij een Sprengisandur-doorsteek: de wind trekt aan en verandert de lichte miezer in een horizontaal gerichte hogedrukspuit, die voorlopig gelukkig wel in mijn rug blaast. Bij deze wegwijzer is het definitief kiezen tussen links de verharde weg naar de bewoonde wereld of rechts de onverharde weg naar de leegte:


Ik ga rechtsaf en stamp over een slechtere weg met even hoge wasbordribbels nog 38 kilometer weg naar Versalir, waar de berghut gesloten blijkt. Samen met twee Amerikaanse wandelaars en een Frans stel in een 4x4 zet ik er mijn tentje neer. Terwijl het duister al invalt komen er nog twee Russische fietsers die de hele dag tegen de wind in hebben geploeterd in de hoop hier een warme hut te vinden. Uitgeput en geërgerd zetten ze hun tent op, maar als ik kom kennismaken komt er toch ineens drank uit de fietstas tevoorschijn en proosten we op de Дру́жба.

Het landschap is fascinerend: veel grijze kaalheid, maar in dalen ligt soms een groene strook die mij doet denken aan de Groene Vallei uit Platvoet en zijn vriendjes:



Als je je afvraagt hoe ze nou eigenlijk weten dat er een vulkaanuitbarsting dreigt bij de Bárðarbunga, is hier het antwoord. Door heel het land staan driepoten met een GPS-apparaat erin, en zo kunnen ze vervormingen in het land meten en op basis daarvan een educated guess maken van wat er onder de grond gebeurt:


De volgende dag gaat het door steeds alomvattender grijze kaligheid naar Nýidalur:



Nýidalur is een berghut bij het middelpunt van IJsland waar de populaire 4WD-routes F26 en F910 samenkomen. De F910 is echter afgesloten wegens de vulkanische onrust en het is in Nýidalur erg rustig. In de hut zitten nog wat 4WD-rijders maar op de camping ben ik de enige:


Het woei nogal en ik moest 's nachts de tent uit om een losgeraakte haring terug te drukken en er grotere stenen op te leggen. Het lawaai van de storm en de angst dat er iets met de tent zou gebeuren maakten dat ik niet veel slaap kreeg. Gelukkig was er een keuken zodat ik niet met de kampeerbrander in de weer hoefde in dat weer, maar dit oude oliefornuis (naast een modernere gaskookplaat) kon gebruiken:


De dag na Nýidalur was de zwaarste in de Sprengisandur-doorkuising. Het begint al met een stevige doorwading van de gletsjerrivier Fjórðungakvísl, en daarna ga ik linksaf de F752 op zodat de wind van opzij in plaats van in mijn rug blaast. Regelmatig word ik door een windvlaag van de weg af geblazen, en 4WD-rijders stoppen om te informeren of alles goed gaat. Ze waarschuwen me voor een zware doorwading verderop, waarvan ze menen dat dat met een fiets niet te doen is. Een fietshandschoen die ik even te slap vasthoud wordt pardoes tot achter de horizon weggeblazen, evenals drie plastic zakjes. Op klimmetjes moet ik lopen omdat de fiets bij lage snelheden in de wind niet recht te houden is.
Op zulke momenten begin je aan een goede afloop te twijfelen, maar door de ervaring van eerdere fietstochten weet je ook dat er ook wel weer een moment komt dat je geluk hebt. De doorwading van de Bergvatnskvísl, waar de 4WD-ers voor waarschuwden, blijkt het keerpunt. Een stukje bovenstrooms van de auto-doorgang is het, zoekend naar houvast op de ronde stenen en met het water tot bij je knieën, wel te doen. Ik negeer de leerstellingen van fietsvakantie-materiaalgoeroe Marten Gerritsen tegen het onderdompelen van naven, negeer ook het ijskoude water, en duw beheerst stapje voor stapje de fiets naar de overkant. En kijk, als ik mijn waadschoenen weer voor mijn fietsschoenen heb gewisseld breekt de zon door, en de weg draait weer naar het noorden zodat de wind weer meewerkt tegen de heuvels. Het vertrouwen keert terug en opgewekt arriveer ik rond zessen bij de berghut van Laugafell. En de oplettende lezer weet dat "laug" IJslands is voor "warme bron", dus er kon weer een heerlijke verwarmende duik worden genomen!
Rond tienen arriveerde er nog een Duits gezin in een 4WD. Als ik, wekend in het warme water, voetstappen hoor en omkijk, kijk ik recht naar een zwiepend lid dat is verbonden met een dikke-tandartsenlijf. De tienerzoon, die al eerder in de poel was gedoken, valt meteen uit: Es wäre doch nett gewesen wenn du 'ne Badehose angezogen hättest! Precies zoals de vader van de vader dat wellicht veertig jaar geleden had gedaan. O tempora, o mores.

Ik slaap die nacht in de hut omdat ik geen zin heb om nog een nacht in wegwaaiende-tentenwind te kamperen, en mijn Zuid-Duitse hutgenoot met veel IJsland-ervaring weet mij te overtuigen dat ik later op de terugweg naar Reykjavík de onverharde Kjallvegur-route (wegnummer F35) moet nemen en niet de ringweg.

De volgende dag is er minder wind, die wel nog steeds in de rug staat, en zon. Onder deze omstandigheden moet het lukken om de resterende 90 kilometer naar de noordelijke havenstad Akureyri in één dag af te leggen. Het is tijd voor een heerlijke I did it-triomftocht van het grijze plateau af naar de grazige weiden langs de noordkust.
Op het plateau zie ik nog deze keileemformatie:

Als de wannabe-geoloog in mij het goed heeft is dit gemaakt van hetzelfde spul waar ook Urk uit bestaat. Het is gaaf hoe je in IJsland veel van de glaciale processen die Nederland hebben gevormd (ook stuwwallen bijvoorbeeld) in een ander stadium van uitvoering kunt zien.

Daarna rol ik het dal van de Eyjafjörður-fjord in, en elk teken van de bewoonde wereld dat zich aandient neem ik met een grote glimlach waar. De grond raakt weer begroeid met grassen en mossen:


Ik passeer nog een laatste sneeuwrestantje:


En dan zijn daar de eerste boerderijen op de dalbodem, met ook wat dappere eerste boompjes links op de foto:


Net na het begin van het asfalt ontmoet ik drie bikepackers op fatbikes die de andere kant op gaan. Ze hebben ondanks hun bagageminimalisme een flesje whiskey ingepakt en dus drinken we een slok om mijn geslaagde doorkruising te vieren.
De wind is nog wel zo'n etterbak dat hij nog even draait om de laatste uurtjes over asfalt ook nog voor wat weerstand te zorgen, maar ik ruik douches en versgetapt bier en trap stevig door. Rond tienen 's avonds kan ik dan eindelijk gedoucht een pint bestellen in het Akureyri Backpackers-hostel. De lots of hot chicks waar de bikepackers het over hadden zijn niet te zien, maar er zijn wel mannen met wie je over de IJslandse vrouw kunt discussiëren, en die ook op de camping blijken te staan, zodat we bij het ontbijt verder ouwehoeren.

De terugweg: Kjallvegur

Akureyri is de grootste stad van IJsland buiten het stedelijke gebied rond Reykjavík, maar die titel is in dit dunbevolkte land makkelijk verdiend: het zit qua inwondertal ergens tussen Didam en Zevenaar in.  Na een was- en relaxdag gaat het gauw verder naar het begin van de Kjallvegur 120 kilometer verderop. We stellen nog wel even vast dat het stadje er mooi ligt tussen de fjord en de bergen:



Aan de ringweg tussen Akureyri en Varmahlíð staat een monument voor het asfalt, dat sinds 1994 Akureyri met Reykjavík verbindt:


In Nederland waren in 1994 alle uithoeken van het land allang met autosnelwegen verbonden met de Randstad en de hele rest van West-Europa. In IJsland zie je in veel dingen, van de langhoudbare en calorierijke broodsoorten, via de archaïsche taal tot het afwijkende systeem van voor- en achternamen, hoe geïsoleerd het eiland tot voor kort was. De ringweg en de populairdere binnenlandroutes zijn in de afgelopen twintig jaar echter veranderd in een drukke tourist trail waar om de kilometer een informatiebord in het Engels staat en dagelijks duizenden mensen uit alle hoeken van de ontwikkelde wereld voorbijrazen.

Gelukkig blijkt de camping Húnaver te horen bij een zonderling dorpshuis waar je de dansvloer moet oversteken en dan een trap omhoog en weer omlaag om bij de douche te komen. Vandaar volg ik het Svartárdalur, een dal vol vervallen boerderijen en oudere boeren waarvan je kunt zeggen dat het vredig aan het sterven is:




Aan het eind van de bewoning klimt de weg het dal uit naar een schijnbaar eindeloos heideplateau:



Het leuke aan zo'n heide is dat daar besjes groeien, en ik had op dag 1 al een bessenplukster gespot die had uitgelegd welke soorten waar goed voor zijn. Dat betekent dus vers fruit bij de lunch!


Tegen de avond kom ik dan op de Kjallvegur uit, weer in de grote toeristenstroom:

Die avond zet ik mijn tentje op tussen de schapenkeutels op een klein stukje gras naast een droge rivierbedding in de hei. Er is niks aan de hand, en ik kan met een slordig neergeplempt windscherm een maal koken op Reiniers wondermengsel van wasbenzine, Coleman Fuel en lampolie:


De rest van de nacht is geschiedenis. Het gaat ongeveer zo:

22:30: Ik ga slapen

23:00: Het stukje doek dat over de rits hangt gaat tegen de rest flapperen door aantrekkende zijwind. Ik doe oordoppen in.

04:00: Ik word voor de zoveelste keer wakker. De oordoppen helpen niet meer tegen het aanzwellende geflapper en gekraak.

06:00: Het is licht en ik vind het mooi geweest. Tijd om verder te gaan. Ik kleed me aan, pak de spullen in, en smeer gauw een ontbijt.

06:30: Eenmaal buiten blijkt het lastig plassen bij windkracht weedikveelmaarallejezusfuckinghard. Je moet afknijpen tot het even rustiger is, anders waait de turbulentie rond je lijf het alle kanten op, dus ook je smoel in.

07:00: Ik sta buiten, de losse spullen zijn gepakt, klaar om de tent in te pakken. Die ziet er nu zo uit:
Bij het inpakken blijken de tentstokken verbogen.

07:45: Ik rij de eerste meters, de binnenband is bijna plat. Wel g&*%^*! In de luwte van een rotswandje de fiets op de kop (in de lengterichting met de wind uiteraard) en met m'n verkleumde klauwen de aansluiting van de naafdynamo zien los te peuteren. Als dat eenmaal is gelukt gaat het bandje wisselen gelukkig op routine.

08:00: Ik rij op het kleinste verzet van 22-32 om op een vlakke weg tegen de wind in te komen. In het toch ook niet altijd windstille Amsterdam kom ik op mijn stadsfiets zonder versnellingen tegen elke storm in. Wat is dit voor weer? Is dit normaal in IJsland?

09:00: Het kost al mijn kracht om nog op de weg te blijven, ik slinger als een malle. Als er auto's aan komen stop ik langs de kant van de weg om veilig te kunnen worden gepasseerd. Vaak vragen ze dan of alles OK is. "Yes, all is OK" antwoord ik dan. Mijn water is wel op en op deze manier kan het nog weet ik hoe lang duren voor ik bij een rivier kom, dus ik bedel bij één zo'n auto een fles water los.

10:00: Het is domweg niet meer mogelijk te fietsen. Ik ben gaan lopen, en bij de hardste windvlagen lukt het zelfs niet meer om tegen de wind in te stappen. Het kost dan alle kracht om nog te blijven staan terwijl de wind de fiets met jou erbij omver probeert te drukken. Ik begin op de kaart te kijken hoe ver het is naar de volgende hut. Dat is Hveravellir, zo'n 25 kilometer van mijn kampeerplek, ofwel nog een krappe 20 vanaf waar ik nu ben. Als ik die hut met de fiets bereik en hij is open, dan kan ik daar slapen. Als ik het niet haal of hij is dicht en de wind houdt aan, dan zal ik naar een slaapplek moeten gaan liften. Ik moet er voor het eind van de middag zijn, daarna is er geen verkeer meer op de Kjallvegur, kun je dus niet meer liften en dan sta je daar in je eentje in de koude nacht in de storm.

11:00: Het lijkt beter te worden. Ik kan meestal weer fietsen.

12:00: Op het vlakke kan ik een kransje uit de absolute granny gear opschakelen. In de afdalingen kan ik zowaar naar het middenblad. Woohoooo! Sinds 08:00 ben ik al halverwege Hveravellir geraakt, dus daar kom ik dan waarschijnlijk voor 16:00. Ik word er zelfs zo optimistisch van dat ik de mogelijkheid in deze schuilhut te schuilen laat schieten, omdat ik hoop in  Hveravellir water en een weersverwachting te vinden:



15:00: Hveravellir. Fucking ein-de-lijk. Het blijkt goddank open, en zelfs een soort hostel met een cafétje dat ook eenvoudig eten serveert. Ook de bardame noemt het een storm, dus blijkbaar is het hier niet alle dagen zo. Goddank. En vanavond wordt het windstil volgens de verwachting, al lijkt het daar nu nog in het geheel niet op.

15:30: Ik ga naar het toilet, kijk in de spiegel en schrik me de papegaaienpokken. Mijn gezicht is zwart van snot waar opgewaaid stof in is blijven kleven.

Maar als dat is afgewassen is het allemaal achter de rug, en kan ik met een goede bak koffie (gratis refills!) gaan bijkomen. De plaatselijke geothermische verschijnselen zijn  heel indrukwekkend in de storm, alsof die hele aanval van natuurgeweld daar ter plekke uit de grond losbarst:


Aan de muur hangt een aandenken aan een Nederlandse motorrijder die het vorig jaar nog slechter trof: vastgelopen in een sneeuwstorm, motor totaal kapot, en opgehaald door de reddingsdiensten:

I went riding in Iceland - this is the last remaning part of my bike...

Na een nachtje slapen in de hut blijkt 's morgens het wonder geschied: windstil. Ik probeer vlug uit of de tent nog fatsoenlijk staat met de gebogen stokken (ja) en ga op pad met mijn nieuwe campingvriendje Pat, een Ier met een uiterst Nederlandse uitrusting van een Koga met Ortlieb-tassen:


Een verdere vrij Hollandse eigenschap van Pat is dat hij heel blij wordt van gratis overnachtingen. Als we dus tegen 14:30 de hut Árbúðir bereiken, en die geheel verlaten lijkt op een niet afgesloten ruimte met twee bedden na, zijn we het er geheel over eens dat we daar dan maar gratis onze intrek in moeten nemen. De pauze in het boutweer is voorbij en er staat weer horizontale regen in your face, en na al het afzien van gisteren hebben we geen mentale reserve meer over om daar nog uren tegenin te ploeteren en er vervolgens in te gaan wildkamperen.
We vermoeden dat het hok met de twee bedden is opengelaten als een schuilhut voor reizigers in slecht weer, maar zeker weten we dat natuurlijk niet. Bovendien is het weer slecht, maar geen noodweer, en is het dus een beetje oneigenlijk gebruik van de faciliteiten. We zijn dus toch een beetje bang te worden ontdekt, en gluren zo nu en dan uit het raam of er niets verdachts gebeurt. Maar terwijl we de ene na de andere pan thee zetten met mijn brander op Pats isolatiematje op het nachtkastje, wordt het half acht, een tijd waarop de Kjallvegur uitgestorven raakt en we beginnen het avondeten te bereiden in het volste vertrouwen hier te zullen slapen.
Bij een zoveelste verveelde blik uit het raampje zie ik echter ineens een grote 4WD op het erf staan. Erger nog, er stapt iemand uit die een sleutel pakt, het hoofdgebouw van de hut binnengaat, weer naar buitenkomt en naar de dieselaggregaat loopt. Kut. Besluiteloos kijken we elkaar aan. De besluiteloosheid wordt pas doorbroken als de deur wordt opengerukt en we in het gezicht kijken van een forse baardige Viking. Hij kijkt eventjes verbaasd maar herpakt zich snel: "What are you doing here?" En als hij dan schuldbewuste blikken op onze gezichten ziet ontstaan: "We are sleeping here. Get out!" Gek genoeg loopt hij daarna weer weg zonder verdere tirades of aansporingen. Wij pakken dus gauw alles in, hangen het weer aan de fiets en vegen zelfs nog het hok weer schoon.
Dan is de vraag waar we dan heen moeten. Er zou een schuilhut zijn langs de rivier de Hvíta, maar dat is een uur rijden waar we geen zin in hebben. Pat is het minst verlegen en gaat eens vragen bij de Viking. Het blijkt dat hij en een maat van hem wegwerkers zijn, die iets verderop aan het werk zijn en door de week in de hut slapen. Hij kan eventueel wel de baas van de hut bellen of wij ook mogen blijven slapen. Maar eerst wil hij eten.
Pat klaagt dat dat arrangement waarschijnlijk betekent dat we tegen betaling mogen blijven slapen. Ik heb nog de energie om een tent op te zetten, en als ik dat aan de Viking voorstel wordt het geaccepteerd. En dus slapen we die nacht in onze tentjes op het erf van de Viking wiens slaapkamer we net hadden gekraakt om op het nachtkastje te gaan koken. Die IJslanders zijn verdorie echt de kwaaisten niet.
De volgende morgen zijn zij eerder weg dan wij, en als wij hun werkplek passeren zwaaien ze verveeld terug.

De volgende dag bereiken we in de mist en de regen de verharde weg bij de mega-attractie Gullfoss:


Neem zonder verdere foto's maar aan dat we, uiterst relaxed in twee dagen op Reykjavík aan fietsend, ook nog de andere Golden Circle-attracties Geysir, Skálholt en Þingvellir hebben bezocht, dat die dingen er net zo uitzien als Google Images je laat zien, en dat we in Reykjavík aangekomen een bak IJslands bier hebben weggewerkt terwijl we elkaars fotoseries bekeken.

In Þingvellir kwamen we een stel Australiërs tegen die wisten te melden dat de storm die mij op de Kjallvegur trof windstoten had tot 35 meter per seconde, 126 kilometer per uur dus. Alsof ik met mijn fiets stond te balanceren op het dak van het auto die over de snelweg raast. Wat de hel.

Op de camping in Reykjavík kregen we gezelschap van een gezin met twee kinderen van ongeveer zeven en tien jaar. Als het meisje van een jaar of tien verveeld rondhangt spreek ik haar aan:

(in overdreven gearticuleerd Engels) "Where are you from?"
"France"
"Vous êtes venu par quelle route?"
"Eh, Mývatn, Akureyri, et puis la F trente-cinq"

Wat een helden.

woensdag 30 april 2014

Naar Roubaix en stuiteren maar!

Afgelopen herfst heb ik op Marktplaats oude Gazelle Formula Randonneur gekocht. Tweedehands kostte hij net goed en wel een twintigste van de nieuwprijs van mijn super-duper trekkingmonster waarmee ik naar Marokko ben gereden. Ik heb er echter al verdomd veel plezier van gehad.

Van de winter gingen er Racing Ralph-noppenbandjes op en diende hij als crossfiets op de MTB-routes van het Twiske en Montferland. Menige mountainbiker op z'n volgeveerde midlife-fiets kreeg het nakijken. En toen de sneeuw smolt, of, nou ja, toen de lente er in ieder geval aan zat te komen, kreeg ik een idee om met deze fiets twee items van de bucket list af te kruisen: fietsen in Vlaanderen en Parijs-Roubaix rijden.

Met een nieuwe voorrem, dubbel stuurlint, de onverwoestbare wielen uit mijn trekkingmonster en extra brede racebandjes is hij er helemaal klaar voor. Nog even uitproberen op de enige kasseiweg van Noord-Holland, de Munnikenweg tussen Alkmaar en Oudorp:


Het stukje op de foto ziet er nog aardig uit, maar neem maar van mij aan dat als je daar over het midden van de weg fietst, je hersenen bijkans door je oren naar buiten klutsen. De bidons bleven zitten, de ketting bleef op de tandwielen liggen, de zadelbout moest nog even extra aangedraaid. Alles is klaar!

Dan op een donderdag om 07:15 vertrekken. Uit Amsterdam-Noord door Oost, Zuid, langs Schiphol en nog veel meer randstedelijke ellende, zodat ik nog voor het middaguur bij Maassluis met de pont de Nieuwe Waterweg oversteek. Op de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden ben je dan eindelijk in een rustig, landelijk landschap en dan komt ook meteen maar de zon erbij.

Even na tweeën kom ik bij de Oosterscheldekering. De vorige keer dat ik daar was, was ik 4, raakte ik diep onder de indruk en heb ik hem dolenthousiast uit Lego Duplo nagebouwd in het midden van de ouderlijke woonkamer. Nu was ie nog net een fotopauze waard:


En dan zie je dus ook hoe je het ding met een bagagedrager, 4 inbusboutjes en 4 bijpassende ringetjes van een racefiets in een reisfiets verandert. De bagagedrager is een lelijk grijs gedrocht dat er origineel bij zat. Met z'n 6 ons is ie toch niet zwaarder dan de Tubus Cargo van tegenwoordig. De hele fiets met alle frutsels erop maar zonder de tassen weegt zo trouwens 12,4 kilo, dat is een dikke kilo lichter dan ze ze tegenwoordig nog maken in Dieren.

Schouwen, Noord-Beveland, Walcheren, voetveer over de Westerschelde, Zeeuws-Vlaanderen, et voilà, Brugge:


Daar een nachtje slapen en dan verder door West-Vlaanderen:



en, na slechts drie uurtjes fietsen vanaf Brugge, Roubaix:

Daar dan de bagagedrager en telefoonhouder eraf, wat lucht uit de banden laten, en vol spanning proberen te slapen.

De volgende dag is het dan idioot vroeg uit bed, met de bus naar het startpunt, en stuiteren maar:

En meer stuiteren:


En dan nog heel heel heel veel meer stuiteren, waarvan we het de organisatie ook niet kwalijk kunnen nemen dat ze dat niet allemaal in beeld hebben kunnen brengen, 4 keer een band plakken omdat de reserveband al stuk is, en dan: uitgeteld aankomen in het Vélodrome:


En na een halve liter ALDI-bier als hersteldrank en eenwelverdiende nachtrust met de Belgische intercity weer naar huis, waar ik op tijd aankom om de zegetocht te aanschouwen van Terpstra, die de Munnikenweg trouwens ook weet te vinden.

Bedankt voor het lezen, en trouwens, als jullie ooit op fietsvakantie vertrekken in fietskleding: vergeet niet je broekriem in te pakken. Adios.

woensdag 7 augustus 2013

Kiev - Cluj

Na een snikhete dag is het om negen uur 's avonds precies lekker in de zon. Ik lik op een bankje langs een boulevard aan een ijsje, en kijk naar het flaneercircus om mij heen. Mensen proberen natuurlijk op te vallen met hun kleding en hun uitdagende houding, maar vele flaneurs profileren zich ook met een attribuut op wielen: rollerskates, mountainbikes, een kinderwagen in hippe kleur. Ik hoor flarden van gesprekken van verschillende groepjes, van schreeuwende pubers tot zorgvuldig sprekende oude mannetjes. Al die stemmen spreken een romaanse taal met glasheldere klinkers. Ben ik in Italië?
Nee. Roemenië is de plaats van handeling, en dat kan ik nader specificeren tot de stad Cluj in Transylvanië. En daar ben ik terechtgekomen door er vanuit Kiev naartoe te fietsen. En met deze post wil ik even met jullie delen hoe dat is gegaan.

De stad

Kiev is een kosmopolitische wereldstad met alles erop en eraan. In het centrum staan hele parkeerplaatsen vol met Porsches, BMW's en Jaguars, er zijn Vedische biologische restaurants, en wat voor mij belangrijk is, alle soorten fietsonderdelen en kampeerartikelen zijn er te krijgen.

Kiev is ook de fietsonvriendelijkste stad waar ik ben geweest. Pas na een half uur rondwandelen in de ochtendspits spot ik de eerste fietser. Als je in Kiev een fietser ziet, is het in de regel een jonge man die zich in sportkleren op een mountainbike door de lawaaiige autohordes worstelt.


De stad uit fietsen is dan ook niet echt relaxed. Ik vermijd de grote autowegen, maar moet ze soms wel oversteken. Voor voetgangers zijn daarvoor tunneltjes gemaakt, maar die hebben trappen en daar kun je met zo'n bepakte fiets niet veel mee. Dus dan maar voorsorteren tussen de auto's en bij groen licht er vol in vliegen, het verbaasde getoeter negerend.

Ik ben in Cluj natuurlijk ook nog in een Roemeense stad geweest. Het is er ongeveer zo groot als Utrecht, een heel stuk provincialer dan Kiev. Het centrum is niet heel anders dan een West-Europees stadscentrum, met ijssalons, een voetgangersgebied met bankjes, kathedralen, kebabtenten en winkels van grote ketens. De buitenrand lijkt echter absoluut niet op de rijtjeshuizen-slaapsteden die we hier hebben. De uitbreiding verloopt er niet volgens een door de overheid opgesteld plan. In plaats daarvan verschijnen er lukraak hier en daar flatgebouwen van een verdieping of vier, met daartussen slingerende voetpaden en grindweggetjes. Het lijkt erg op de buitenrand van Tanger waar ik een dik half jaar eerder doorheen fietste.
Iets verder, voorbij het vliegveld, was het even hard schrikken. Ook in Marokko waren er dingen die je sloppenwijk kunt noemen, maar zo erg als dit was het zelfs daar niet. Toen ik er langs kwam was het er nog erger aan toe dan in de Streetview-link: grote hopen afval achter de hutjes, waar niet of nauwelijks geklede kinderen spelen met plastic spullen uit de opengescheurde vuilniszakken. Ik liep rond met het idee zaterdag een hele berg kinderkleren te kopen en die daar te gaan uitdelen, maar toen ik dat aan een local voorlegde zei hij schouderophalend: "They're gypsies. They do that kind of shit. I'm sorry you had to see it."

Het land

Het Oekraïense platteland is glooiend, vol met dorpjes die mij nog steeds doen denken aan het Rusland uit de boeken van Gontsjarov en Gogol, met brede onverharde wegen, verspreide vrijstaande huizen, kleine perceeltjes aardappelen en maïs en mensen verdiept in archaïsche bezigheden als ganzen hoeden of water putten.

Koeien worden door de hoofdstraat van Rybne gedreven

Die waterputten lijken echt een stuk cultuurgoed hier: in het zuidwesten zag ik op markten veel verschillende bovenstukken van waterputten te koop staan. Ook protserige fermettes waar een automatische waterpomp echt niet meer zo veel zou schelen op de rekening hebben in plaats daarvan nog een waterput, zij het een rijk versierde. Het putwater is overigens heel wat beter te drinken dan het leidingwater in Kiev, dat behalve de te verwachten chloorsmaak ook een bedorven afdronk met noten van humusrijke bosgrond heeft.

Veel waterputten staan buiten de schutting langs de weg, zodat iedere dorstige voorbijganger kan bijtanken

De wegen zijn van wisselende kwaliteit, maar nergens goed. Geregeld kom ik op onvervalste oostblokflinten, die mij al wel bekend waren van twee weken fietsen in Oost-Duitsland en Polen met mijn vader in 2005. Iedereen moest werk hebben in het arbeidersparadijs, dus gebrek aan stratenmakers was er nooit. Of zoiets. Dus krijg je tientallen kilometers lang dit soort keienwegen:

Vaak ligt er dan een karrespoor meteen naast, want bij droog weer is helemaal geen verharding beter dan deze ellende

Ieder dorp heeft wel één bar en één levensmiddelenwinkeltje, vaak in hetzelfde pand. Zo om de tig kilometer kom je in een groot dorp van enige duizenden inwoners, waar wat meer winkels zijn en pinautomaten en waar veel mensen spullen verkopen langs de weg.


De levensmiddelenwinkeltjes (продукти of магазин genaamd) staan nog geen zelfbediening toe.Wel staat alles uitgestald langs de drie muren zodat je gelukkig niet de Oekraïense naam hoeft te weten van alles wat je wilt kopen. Achter de toonbank staat meestal een wat oudere dame, die ijverig de prijzen van je aankopen in een zakjapanner ramt en je dan vriendelijk het totaal laat zien. Als je het echt treft, gebruikt ze zelfs nog een telraam. Ik heb het minstens twee keer gezien.

De mensen

Misschien lag het eraan dat mijn houding langzaamaan ontspannener werd, maar het leek alsof de mensen steeds vriendelijker en geïnteresseerder werden naarmate ik verder van Kiev kwam. Op de eerste dag besteedde men hooguit aandacht aan mij om mij te vertellen dat ik ergens geen foto's mocht maken. Later proberen er steeds meer mensen een praatje aan te knopen, wat helaas vaak mislukt door de taalbarrière. 

Op de derde dag word ik in het Duits op de thee genodigd door Vitaliy, die docent is aan de universiteit in Vinnytsja, maar deze zaterdag bij zijn ouders op het platteland is. Naast doceren kan hij ook heel goed Oekraïense volksliederen brengen terwijl hij zichzelf op de gitaar begeleidt, en ook met het werk van Rammstein weet hij wel raad. Hij heeft een boekje met lyrische poëzie vol levenswijsheden geschreven. Volgens hem is het in de Oekraïne een populair genre.

Opvallend is dat kinderen verlegen langs de kant van de weg blijven staren. Soms is er eentje zo onbevangen om je zelfs te groeten, en da's leuk, want dat is voor de verandering eens een situatie waarin mijn Oekraïens helemaal toereikend is: dobry den'! Toen ik in Cluj langs door een zigeunerwijk kwam, renden de blagen wel weer opgewonden schreeuwend mee, net als in Marokko.

In Roemenië is het fijn dat de taalbarrière een stuk minder is, en ze ons schrift gebruiken. Je kunt de verkeersborden weer zonder nadenken lezen en meestal begrijp je zelfs wat ze bedoelen.
Soms is het zelfs mogelijk om met een mengeling van Frans, Latijn, Spaans en Italiaans je redelijk verstaanbaar te maken. Zo lukt het om in Maramureş om 10:30 's morgens gezellig aan te schuiven voor tweeëneenhalf glas zelfgestookte palinka en een vervroegde lunch bij Ion, die wellicht vanwege z'n palinkastokerijtje een "geleje keerl" in het dorp is:

Dit is dus het soort installatie waar die drank in PET-flessen van uw Roemeense tegelzetter in bereid wordt
Hoewel zowel Oekraïners als Roemenen nogal negatief zijn over hun eigen volk (In Roemenië zeggen ze over zichzelf wat wij over Frankrijk zeggen: "Roemenië is een mooi land, jammer dat er Roemen wonen"), maar het is er zoals overal: vrijwel iedereen is vriendelijk en behulpzaam, en soms kom je supergastvrije bazen als Ion tegen. Vervelend zijn aanzienlijke delen van de bedelaars en vrachtwagenchauffeurs, maar dat ook alleen als ze aan het werk zijn.

Het communisme

Het is inmiddels 2013, en je zou zeggen dat het tijd is om Oost-Europa niet meer vooral als "de voormalige Sovjet-Unie" te beschouwen. Kiev is inderdaad een 24/7 consumptiechaos waar je om half vier 's nachts bij een bloemenstalletje terecht kunt en je boodschappen doet bij een Auchan-hypermarkt met 76 kassa's. Het is even schrikken als je dan plotseling toch oog in oog staat met good old Vladimir Iljitsj:


Op het platteland vind je nog meer overblijfselen van het communisme, zoals de hierboven beschreven levensmiddelenwinkeltjes en de kolchoz-boerderijen waaraan sinds 1991 vrijwel niets veranderd is. De helft van het wagenpark bestaat er ook nog uit Lada's uit het Sovjet-tijdperk. In de kleinste plaatsjes kan ineens zo'n oversized communistisch bestuursgebouw staan, wat dan vaak "cultuurhuis" heet. Zou het idee van kulturhuser oorspronkelijk uit de Sovjet-Unie komen in plaats van uit Scandinavië?

In Roemenië is nog veel minder over van het communisme dan in Oekraïne. Als je er nog Dacia's van voor de overname door Renault wilt zien, moet je bij de schroothoop zijn. De landbouw lijkt er sowieso minder gecollectiviseerd te zijn geweest dan in de Sovjet-Unie; ik heb op zo'n 450 kilometer fietsen in Roemenië slechts twee kolchozes geteld.
Wat nog wel wat oostblokcharme had, was de camping bij Topliţa, de enige officiële camping waar ik deze trip heb gestaan. In een soort complex dat ik wel van Oost-Duitsland ken, zijn in een dalletje in het bos een zwembad, een restaurant en een camping annex huisjespark gevestigd. De huisjes hebben geen toilet, de bungalowbewoners moeten net als het tentvolk gebruikmaken van het toiletgebouw. Tussen 18:00 en 22:00 stookt de norse campingbeheerder een vuur van nat dennenhout in de boiler, zodat je dan van een lekker warme CO₂-neutrale biomassadouche kunt genieten terwijl het terras van het restaurant vol in de stinkende rook zit.

Houtgestookte Duşuri Barbati. De andere kant is voor vrouwen, dus mannen zonder baard kunnen het bos in

Toerisme

Op het grootste deel van mijn tocht door Oekraïne waren er nul toeristische voorzieningen. In Kiev is er ongetwijfeld van alles, maar we liepen daar met onze collega's mee en kwamen niet echt op de toeristische hotspots.
Na drie dagen kom ik in Vinnytsja, een stad zo groot als Utrecht waar wel veel binnenlandse toeristen komen. Er zijn wat vrij chique hotels, en daar ga ik maar eens gewoon in zitten. De metalen schoenplaatjes van mijn fietsschoenen tikken tegen de marmeren vloertegels; ik hoop maar dat het allemaal goed gaat. Er staan wat oude gebouwen, maar wat Vinnytsja echt op de kaart zet is de grootste dansende fontein van Europa. Er is zowaar een hele tribune gebouwd zodat avond aan avond duizenden mensen met een arm om hun geliefde naar de romantische show kunnen kijken:


De fontein is daar neergezet door Roshen, een snoepgoedmerk dat is ontstaan doordat ene meneer Petroshenko alle staatsfabrieken voor zoetigheid opkocht na de val van het communisme en een bijgeknipte vorm van zijn achternaam als merknaam ging gebruiken. Het loopt als een trein, het spul is overal te koop en de fabriek in Vinnytsja heeft een grote nieuwe aanbouw.

Na Vinnytsja was ik weer een paar dagen in een tourist-free zone tot ik de Karpaten bereikte. De Oekraïense Karpaten moeten het paradijs zijn voor mensen die West-Europese gebergten te toeristisch vinden. Hier zijn geen vakantieresorts of kabelbanen, en campings bestaan er alleen in de vorm van paalkampeerplaatsen met een kampvuurkuil en een gat-in-de-grond-toilet. De Karpaten trekken wel toeristen, maar het zijn allemaal geharde types die voor meerdere dagen met de rugzak de wildernis in trekken. Behalve gehard moeten ze ook avontuurlijk aangelegd zijn, want goede topografische kaarten van het gebied bestaan niet. Het beste is een vijftig jaar oude kaart, van de hand van het Rode Leger (online te vinden). Nog afgezien van de ouderdom zijn de wegen en paden hopeloos schematisch ingetekend.

Toevallig heb ik wel een papieren exemplaar van die kaart bemachtigd als souvenir. Ik wilde in de Karpaten van Tsjorna Tysa naar Oesjt-Tsjorna proberen te rijden op een onverharde weg die volgens sommige bronnen bestaat. Ik reed vanaf Tsjorna Tysa een eindje naar het westen over een onverharde weg (die als doodlopend in OpenStreetMap staat) en vond een mooi kampeerplekje waar al twee Russische wandelaars stonden. Het waren studenten en ze spraken Engels. Ze vonden mijn doorsteekplan wat driest, maar gaven mij wel hun Sovjetkaart omdat hun trip ten einde was. De poging tot doorsteek staakte ik al gauw toen een paar kilometer verderop een brug bleek weggespoeld en je honderden meters door enkeldiepe modder moest waden om bij een plek te komen waar je de fiets door de rivier kon dragen. Dat offer was me te groot om bij een weg te komen waarvan niemand mij met zekerheid kon vertellen of hij bestond, en ik keerde om.

Na de Oekraïense Karpaten kwam de Roemeense regio Maramureş. Daar zet men alles op toerisme om het gebied economisch te ontwikkelen, en dat lijkt nog te lukken ook. Het landschap is er ook ontegenzeggelijk hemeltergend mooi. De dorpjes hebben typerende houten kerkjes die allemaal net zijn opgeknapt, en men is er ook in geslaagd ze tot UNESCO-werelderfgoed te laten uitroepen. In ieder gehucht zijn wel vijf pensiunele, zoals bed-and-breakfasts hier heten. Als ik kijk naar de nummerborden van passerende auto's, zie ik dat Italianen, Tsjechen en Hongaren deze streek al weten te vinden. Er zijn zelfs opvallend veel Britten die er de tweeëneenhalve dag in de auto voor over hebben. Nederlanders zie je er echter nog niet.
Bij sommige pensiunele kun je volgens het uithangbord ook je tent opzetten, maar toen ik dat ging proberen was de eerste pensinuea alweer gesloten, en bij de tweede wilde de vrouw mij alleen een kamer verhuren voor 700, na weigeren 600 lei. Ik wist toen nog niet dat dat tegen de 150 euro is, maar als zes ons pruimen 2 lei kost en de hoogste keuze-optie van de pinautomaat 400 lei is, weet je dat het veel te veel is. De vrouw leek echter oprecht gedesillusioneerd door mijn weigering.
Ik stel me zo voor dat er in zo'n dorp voorlichtingsbijeenkomsten worden gehouden, waar een gladde jongen dorpelingen vertelt dat West-Europeanen gouden bergen over hebben voor de gastvrijheid en kookkunst de locals vanzelfsprekend vinden. Volgens de gladde jongen is het ophangen van het gratis standaardontwerp uithangbord het enige dat je hoeft te doen om te delen in de grote stroom toeristeneuro's. Iedereen is natuurlijk wild enthousiast, of in ieder geval iedereen die naïef en hebzuchtig is. En zo komt dan het hele dorp vol te hangen met borden van B&B's die zowel voor de bezoekers als voor de uitbater een grote teleurstelling zullen zijn.
Maargoed, mensen die hun verblijf wat beter plannen dan zomaar bij bordje langs de weg aanbellen zullen ongetwijfeld de krenten in de pap kunnen vinden. En voor de rest is het goed om te weten dat vrij kamperen ook prima mogelijk is.

De grens

De culturele verschuiving van Oekraïne naar Roemenië begint al als je de rivier de Dnjestr (of Dnister of Nistru naar gelang uw etniciteit) oversteekt. Er verschijnen meer houten huizen, waterputten hebben soms een giek in plaats van een haspel, en er staan meer kapelletjes langs de weg. Bij Kuty passeer ik een brug die, als ik het goed onthouden heb, ooit op de grens van Polen en Roemenië lag. Bij Rachiv staat weer een monument dat daar is neergezet toen Oostenrijk-Hongarije graag het middelpunt van Europa binnen zijn grenzen wilde hebben, en een stel knappe koppen een definitie van middelpunt liet bedenken die het middelpunt situeert in wat toen het Hongaarse plaatsje Rahó was. Onderweg naar de grensovergang in Solotvyne passeer ik zowel een tweetalig Oekraïens/Roemeens als een tweetalig Oekraïens/Hongaars plaatsnaambord.
De grens is hier in het verleden dus beweeglijk geweest, maar op het moment is voor een lichtzinnige interpretatie van het grensverloop geen ruimte. Roemenië komt bij de Schengenzone en dus moet hier het Fort Europa worden verdedigd. Op een klein weggetje in de bergen word ik staande gehouden door Oekraïense douaniers in camouflage-uniform op een quad die komen controleren of er wel een binnenkomststempel in mijn paspoort staat. Later is er ook op de grote weg zomaar ineens een paspoortcontrole.
Langs de weg loopt een spoorlijn waarvan de rails ook bovenop helemaal verroest zijn. Toch is het lijntje blijkbaar een uitgebreide bemande grenspost waard:

Wel weer goed om te zien dat ze die visser niet verdacht vinden

De Roemeense douane neemt zichzelf ook lekker serieus. Ze kunnen blijkbaar meteen zien dat deze sloddervos twee jaar geleden zijn paspoort heeft laten jatten, en vragen dat nog eens na. De auto voor mij wordt geheel ondersteboven gekeerd en een sportschooltype gebiedt mij kortaf ook alles uit te pakken. Gelukkig draait hij bij als hij ziet dat er bij mij geen angstzweet uitbreekt, en gelooft hij het wel als er uit de eerste tas een slaapmatje en een regenjas te voorschijn zijn gekomen. En zo staat ik zondagmiddag om vier uur in het stadje met de zonnige naam Sighetu Marmaţiei.

Religie

Als toerist krijg je in orthodoxe kerken de schrik van je leven: de meeste bezoekers zijn geen medetoeristen, maar devote gelovigen. Overal waar je kijkt staat zit wel iemand met de handen gevouwen te prevelen, en geregeld loopt er iemand naar de grote ikoon om een kruis te slaan en de ikoon te kussen. Een aandoenlijk gezicht was een jongetje dat het ook probeerde maar er op z'n tenen precies niet bij kon.
Ik vind het vreemd om alleen van de uiterlijke vorm van de kerk te genieten terwijl die mensen er iets heel dieps ervaren. Het voelt alsof de aanblik van die mensen op hun kwetsbaarst alleen voor God bedoeld is, en niet voor mij.

Met al die gelovigen worden de kerken ook goed onderhouden, of helemaal nieuw uit de grond gestampt. Op het Oekraïense platteland zijn de kerk en het omliggende kerkhof vaak het enige stukje glimmende netheid te midden van de modder en stank van het boerenbestaan:

Zo'n nieuwbouwkerk komt dus buiten het dorp, zomaar ergens in een weiland. Hoewel ik hier toch ik weer mag hopen dat al die graven niet pas na 1990  gevuld zijn.

De kerkhoven zijn in beide landen bijzonder, maar op een verschillende manier. In Oekraïne hebben ze glimmende grafstenen met een groot portret van de overledene, en staat het kerkhof vol met felgekleurde bloemen. Het lijkt vaak het feestelijkste plekje van het dorp.
In Roemenië is het opvallend dat op veel grafstenen nog geen overlijdensdatum vermeld staat. Dat is ook heel logisch eigenlijk, legde een studente kunstgeschiedenis aan mij uit. Je wil toch onder een mooie steen liggen, en de beste manier om daarvoor te zorgen is er bij leven een uit te zoeken en hem vast mooi te laten neerzetten. Waarom zou je zoiets aan het toeval overlaten?

Fietsen

Ik slinger over een weg waar veertig jaar geleden misschien asfalt lag, maar waar je nu de laatste overblijfselen daarvan angstvallig vermijd om je wielen er niet tegenaan te stoten. Harder dan 16 km/u gaat het niet, maar daardoor heb ik des te meer tijd om het landschap in je op te nemen en te kijken hoe mensen hier boeren. De gloed van de middagzon is heet, maar daar gaat een koude getapte kvas straks extra lekker van smaken. De traktors, combines en fietsen die ik zo nu en dan tegenkom kijken me verbaasd maar vriendelijk na.
Dat is hoe het fietsen was op de mooiste stukken. Het kan ook anders. Ik had me voorgenomen in Nova Oesjitsja te lunchen, maar door de zware klim ben ik er later dan ik dacht. Mijn eten is op. Mijn hongerige lijf wil niet meer, maar ik moet omhoog om verder te komen. Zweet gutst van mijn voorhoofd m'n ogen in. Ze prikken als een gek, maar met dichte ogen kun je niet fietsen, dus tanden op elkaar en doortrappen. Van voren komt een vrachtwagen, van achter ook. Ze houden nauwelijks in. Ik kan nergens heen; rechts van mij zit een goot van een halve meter diep. Ik ben aan hun inschatting van de situatie overgeleverd. Begrijpen die teringlijers wel hoe verschrikkelijk dit voor mij is? Uit het zadel sprinten om vaart te maken, dan weer gaan zitten om de fiets zo recht mogelijk te sturen. De vrachtwagen zoeft langs op 40 centimeter, als de achterkant passeert slinger ik 20 centimeter naar links door de turbulentie. Oef, dit is ook weer voorbij. VROEMM, opeens vliegt er weer iets links kort langs mij, een auto met een aanhanger. Die had ik niet in de spiegel zien aankomen, hij ging achter de vrachtwagen schuil. Ik kijk links achterom, maar zie niks omdat mijn linkeroog nu toch echt dichtgevallen is in de zweetvloed. Anderhalve seconde de nek ontspannen en dan rechtsom achterom kijken. OK, er komt nu echt niks meer aan. Tijd voor een paar slokken water. Zou ik daar bij die bocht over honderd meter dan eindelijk boven zijn?

Het is dus de kunst veel van die eerste alinea te hebben en weinig van de tweede. En dat is best goed gelukt. Na een paar jaar met veel fietsvakanties ken ik het recept wel zo'n beetje: op tijd eten, jezelf niet vastleggen op ambitieuze etappeschema's, rustige wegen kiezen. En dat kan in Oekraïne uitstekend. Wat enorm helpt voor de rustige wegen is dat de dekking van OpenStreetMap fantastisch is. Ik weet niet wie de helden zijn die alle landweggetjes erin gezet hebben, maar superbedankt! Met een zoombare kaart op het scherm van de telefoon weet ik op een kruising van twee karresporen tussen de maïsvelden meteen waar ik ben, waar die weggetjes heen gaan,  en hoe ver het nog is naar de bewoonde wereld.
Buiten de echt grote wegen is het verkeer niet erg druk. Veel mensen kunnen zich hier geen auto veroorloven, en dat is natuurlijk een treurige situatie, maar het maakt wel dat je er rustig kunt fietsen en dat er ook veel mensen wandelend, fietsend of met paard en wagen onderweg zijn. En als je je medeweggebruikers makkelijk in het gezicht kunt kijken is het veel gezelliger op de weg dan in Nederland!
Dat beperkte autobezit maakt ook dat er in vrijwel alle dorpjes nog een levensmiddelenwinkel zit, en zo is het ook geen probleem om op tijd eten te vinden.

De plattelanders zie je trouwens ook een stuk vaker op de fiets dan de Kievieten. Ze rijden in een gemoedelijk tempo op oude herenfietsen. Ze kunnen er een hoop boodschappen op vervoeren, soms nog wel zwaarder dan mijn bagage.

Oekraïense plattelandsfiets met lokaal model standaard
Ik maakte mij van tevoren wel een beetje zorgen over het verkeer in de Oekraïne. Van de dashcam-filmpjes op internet krijg je een bepaald beeld van het verkeer in de voormalige Sovjet-Unie dat niet bijdraagt aan een ontspannen vakantiegevoel. Uiteindelijk blijken dat soort idioten gelukkig de uitzondering. Auto's rijden in Oekraïne door de bank genomen niet agressiever dan in Nederland. Het verkeer is er wel degelijk onveiliger, maar dat zal vooral liggen aan de slechtere wegen en het feit dat fietsers, auto's en paard-en-wagens dezelfde paar meter brede weg delen.

In Roemenië zijn de wegen drukker, maar OpenStreetMap is ook daar goed om veel grote wegen te vermijden.
Er is één groot nadeel met OpenStreetMap, en dat is dat je er niks meer aan hebt als de batterij van je telefoon leeg is. Dat gebeurde me in de laatste dagen toen ik wat problemen had met de naafdynamo-oplader (leuke gadget, maar neem gewoon een battery pack met AA-batterijen mee als je zeker wil zijn van stroomvoorziening). De telefoon had nog net genoeg stroom om mij 's morgens van Topliţa naar Remetea (Gyergyóremete voor de overwegend Hongaarse inwoners) te brengen. Daar ging het scherm op zwart. Ik wilde vanaf daar over een onverharde weg door de bergen naar Lăpuşna. Ik verheugde me wel op zo'n onverharde passage door de bergen, lekker alleen zijn in de natuur zonder auto's en ander gespuis in de buurt. Ik nam me dus maar voor gewoon de weg naar Lăpuşna in te slaan, en op elke kruising te wachten tot ik de weg kon vragen.
Dat begon heel goed. De kassadame van de supermarkt in Remetea liep een stukje mee naar buiten om me de juiste weg het dorp uit te wijzen, en bij een eerste t-splitsing tussen de hooilanden wilde de 4WD die ik aannhield me volgens mij meteen al een lift geven. De weg wijzen deden ze ook goed, en ik reed over een overweldigend groene weg geleidelijk klimmend op Lăpuşna aan.
Toen ik mij zo'n beetje begon af te vragen of ik zo langzaamaan de pashoogte had bereikt, was er weer een t-splitsing. De brede, verharde weg liep rechtdoor, linksaf ging een slechter spoor met een duiker over een stroompje en daarna steil omhoog. Ik ging de afslag een eindje in om eens te kijken of het echt een doorlopende weg was en niet een inrit naar een vakantiehuisje of houthakkerskeet. Op honderd meter afstand zag ik een Dacia Logan-busje over de grotere weg de t-splitsing passeren. Kut, die had ik moeten vragen. Wie weet wanneer er weer iemand komt in deze wildernis. De weg naar links was inderdaad doorgaand, dus ging ik terug naar de t-splitsing om te wachten.
Toen ik daar weer stond, hoorde ik een motorzaag. Het kwam van iets verder omhoog langs de grotere weg. Ik reed er een eindje in, en zag een man gekleed in slechts een korte broek en een petje een lange den te lijf gaan met een reusachtige Stihl-motorzaag. Toen de motorzaag even stil was riep ik: "Salut! Lăpuşna?". De man kijkt even, bromt iets, maar geen overtuigende reactie. De zaag gaat weer aan, en uit, en daarna gaat hij in één beweging door een wig in de boom te rammen. Het is een indrukwekkend gezicht. De man haalt vol uit met een zware kloofhamer. Ik vind het al moeilijk genoeg om daarmee met verticale slagen een houtblok goed te raken om het te splijten. Deze man mept horizontaal zo tegen een wig van misschien 10 bij 10 centimeter.
Na een minuutje rammen keert de man zich toch naar mij om. De boom kraakt vervaarlijk. "Lăpuşna" vraag ik nog weer eens. De man kijkt niet-begrijpend naar mij, terwijl ik verrast toekijk hoe de boom krakend en kreunend ter aarde stort. De blik van de houthakker blijft op mij gericht, en hij doet dus geen enkele poging zich ervan te vergewissen dat de boom inderdaad van ons af valt.
Als ik me herstel van de verbazing over de plotselinge val van de boom, bedenk ik me dat dit niet opschiet. De blik van de houthakker is achterdochtig. Deze man begrijpt niet wat ik wil weten. Ik pak de autokaart erbij en wijs op het lijntje van Remetea naar Lăpuşna, dan wijs ik recht naar benden om "hier" uit te beelden. Ik trek een vragend gezicht. Ik hoop dat hij bevestigt dat we hier inderdaad langs dat lijntje op de kaart staan. Hij blijft echter niet-begrijpend kijken.
Ik doe nog een laatste poging: ik wijs langs de grote weg omhoog en vraag "Lăpuşna?". Hij wijfelt een beetje, maar knikt van ja. Ik ben niet overtuigd, maarja, wat moet ik dan? Wie weet komt de volgende auto hier pas over uren langs. En laten we wel wezen, als hier zo'n nette grindweg ligt en dat andere ding een onverhard karrenspoor is, dat bovendien moeilijk steil omhoog lijkt te lopen, dan moet dit het toch zijn?
En dus ga ik door, omhoog over de grotere weg. Ik kom al gauw langs een autootje met een Hongaars kenteken. Aha, als die van de houthakker is, dan sprak die man dus geen woord Roemeens, en verklaart dat z'n onnozele gedrag. Waarom heeft die kaart ook verdomme geen tweetalige plaatsnamen, misschien dat hij de Hongaarse naam van Lăpuşna wel herkend had.
De weg slingert nog een paar keer over het stroompje heen, en wordt langzaam steiler. Maar het blijft min of meer naar het westen lopen, dat is goed. Het wordt te steil om je nog langer over andere dingen dan sturen en trappen druk te maken. Ik wil lunchen op pashoogte, en trap uit alle macht door om daar zo gauw mogelijk en zonder wandelen te komen. Na drie hijgende maximumhartslagmomentjes is het dan echt zo ver. Ik rij nog even honderd meter door om me ervan te vergewissen dat het echt het hoogste punt is, en dan ga ik lunchen.
Tijdens de lunch komen er vanaf de andere kant dan waarvandaan ik gekomen ben allerlei bessen- en paddestoelenplukkers. Ik vermoed dat dat hetzelfde volk is dat dat spul langs de weg verkoopt, en die moet ik niet. Het ziet er sympathiek uit, zo'n verkoopstalletje langs de weg, maar ze zijn hier vaak opdringerig. Ze willen het spul gewoon in je fietstas proppen om vervolgens geld te eisen, en wat je moet doen om ze daarvan te weerhouden grenst aan geweld.
Ik zie dat ze bessen gaan wassen, en dat wil ik toch wel even zien. Waar komen die bessen vandaan, en wat voor gereedschap gebruiken ze? Ze blijken in ieder geval hier de kwaaiste niet en lachen, vragen waar ik vandaan kom en gebaren iets over foto's - hmm, willen ze dat ik m'n toestel trek zodat ze het kunnen jatten? Ik groet ze vriendelijk weer gedag en wil weggaan. Als ik wegfiets roepen ze me iets na over dat ik de andere kant op zou moeten. Ik denk dat ze bedoelen dat ik terugfiets naar de kant waar ik vandaan kwam, wat klopt omdat ik om bij de plukkers te komen iets teruggefietst was vanaf de lunchplek. Ik zoek er niets bijzonders achter en begin aan de afdaling. Die is beestachtig. kort na de lunchplek krijg ik dit uitzicht:

Fasten your seatbelts en bestel maar vast nieuwe remblokjes
Met alle wijsheid achteraf had ik bij dit uitzicht een hele hoop onraad moeten ruiken. De zon staat rechts achter mij in plaats van recht voor me. Het dal is breed met een breed  plateau aan mijn kant van het diepste punt. Het dorpje daar beneden is van dezelfde omvang als Remetea. De richtaanwijzing van de houthakker was niks waard, en wat wilden die bessenplukkers mij eigenlijk vertellen?
Ik stond bij dit alles op dat moment echter niet stil. In  plaats daarvan dook ik vol adrenaline naar beneden.
Het zal een half uur later zijn geweest dat ik over een t-splitsing schoot, in een groen dal bij een vakantiehuis. Vanaf dat punt liep de weg over een plateau met hooilandjes. Jeetje, dacht ik, wat lijkt het landschap hier op het dal aan de andere kant van de bergen. En dit dorp heeft al net zo'n soort fabriek als Remetea. Voor de grap even checken: als ik in hetzelfde dal terug zou zijn, zou de zon nu achter mij moeten staan...

FUCK.

Urenlang zwoegen over de uiterste stijgingspercentages die met je 35 kilo zware bepakte trekkingfiets te doen zijn. De longen die stuk leken te scheuren in mijn borstkas, het zweet dat in straaltjes van de helm op het frame regende, de duizeligheid van de honger en de inspanning. Ik had het allemaal getrotseerd met het vooruitzicht dat ik bezig was met een heroïsche passage van een Karpatenbergrug, iets waar ik tot in het verzorgingstehuis met de breedst mogelijke voldane glimlach op kan terugkijken. Maar in plaats daarvan was ik bezig geweest met de domste actie uit twintig jaar avontuurlijke zelf genavigeerde fietstochten.
Er gaapte een epische krater in mijn ego, maar een dieper overlevingsinstinct nam het over. Ik moest zorgen dat ik alsnog de volgende dag in Cluj zou zijn. Het was nog iets van 210 kilometer volgens de autokaart. Kortste weg is terug over de grote weg langs Topliţa. Ik zou kunnen liften, maar nu wilde ik eigenlijk met niemand praten dus ging ik eerst maar gewoon fietsen. Ik schaamde me te erg om in dezelfde supermarkt in Remetea weer boodschappen te doen en wachtte daarmee tot het volgende dorp.
Ik fietste zo aangeslagen door tot in de avondschemer, propte nog wat brood naar binnen en zocht een wildkampeerplek die ik vond achter een te koop staande ruïne van een vrijstaand huis. Volgens de autokaart was het van daar nog 140 kilometer naar Cluj; een stevige etappe, maar behoudens calamiteiten is dat zeker fietsend te doen. De telefoon was door de lange fietsdag goed geladen en bevestigt mijn vermoeden dat ik bij de houthakker toch naar links had gemoeten.
De volgende dag sta ik na 15 dagen fietsen door onbekende landen precies waar ik wezen moet, Hostel Transylvania in Cluj, en dat maakt dat er weer iets van vertrouwen in mijn navigatieskills terugkeert. To hell met het lokale eten, het is tijd voor pizza en een halve liter bier, ik heb het weer geflikt!



Tot slot hebben jullie nog de cijfertjes te goed.
Weggetrapte kilometers: ongeveer 1500
Dagen onderweg: 15
Nachten vrij kamperen: 9
Nachten in hotels: 4 
Nachten op de camping: 1
Gebroken spaken: 1
Lekke banden: 0